Patrick van Balkom
(interview afgenomen voorjaar 2009)
Leeftijd: 34 Studie: Fontys Sporthogeschool (voorheen Academie voor Lichamelijke Opvoeding) Studiejaren: 1992 – 1997 |
|
Prestaties Nationale titels 100 meter: 3 200 meter: 6 60 meter indoor: 2 200 meter indoor: 7
Internationaal 200 meter: zilver Universiade Mallorca 1999 200 meter: brons WK Indoor Lissabon 2001 4x100 meter: brons WK Parijs 2003 |  Tekst: Antoinette van der Vorst (Bex*communicatie) Foto: Sicco van Grieken |
Alles geven voor de sport
'In de topsport is het zo moeilijk om te pieken. Iemand zei eens tegen mij: eigenlijk ben je maar twee keer per jaar in vorm. Als je pech hebt, is dat twee keer tijdens een training. In mijn tienjarige carrière als sprinter heb ik een paar keer dat echte supergevoel gehad. Dat moment dat alles bij elkaar komt en alles lukt. Dat is waar je voor gaat. Topsport, dat is een mentaliteit, al het andere op de tweede plaats laten komen. Alleen dan kun je presteren.' Gelukkig had Patrick van Balkom die mentaliteit. Maar hij is ook blij met al het andere dat hij gedaan heeft. 'Waardoor ik nu kan doen wat ik het liefste doe. Actief zijn in de sport. Altijd.'
Je bent voormalig sprinter. Wanneer begon je met je sport?
'Dat was eigenlijk relatief laat. Ik ontdekte rond mijn twaalfde de atletiekbaan. Daar kwam op een gegeven moment een trainer naar me toe die zei dat ik talent had voor sprinten. Hij kreeg me zo gek om dat te geloven, ik ging ermee aan de slag en het lukte.'
Je behaalde goede resultaten in regionale wedstrijden maar deed als junior nooit mee aan EK's of WK's.
'Dat ging pas echt lopen toen ik senior was. Op zich bijzonder in deze sport: de meesten die echt goed zijn, presteren ook al als ze heel jong zijn. Tijdens en na mijn opleiding als leraar Lichamelijke Opvoeding ging het trainen door. Na mijn afstuderen nam mijn carrière echt een vlucht en behaalde ik een aantal grote successen.'
Die opleiding, hoe kwam dat zo?
'Voor mij was het een logische keuze. Ik vond het een goede combinatie met mijn hardlopen en wilde graag meer leren over sport. Het was wel zwaar, mijn sport combineren met de opleiding. Ik woonde thuis, in de buurt van Tilburg. Ik ging naar school, dan naar Utrecht om te trainen en weer terug naar huis. Dat waren lange dagen.'
Hoe kijk je terug op je studie?
'Met plezier. Al was het soms ook wel een beetje raar. Alles draaide om lichamelijke opvoeding, sport was voor sommige leraren een 'vies' woord. Daar ging het niet om. Dat leidde tot vreemde situaties: zo moest ik de 100 meter lopen voor punt terwijl ik de week daarvoor een Nederlandse titel had binnengesleept. Gelukkig waren er ook docenten die wel oog hadden voor de sport naast de opleiding. Maar het is niet zo dat het mij heel gemakkelijk werd gemaakt.'
Na je afstuderen ging het je snel voor de wind.
'Klopt. Met een nieuwe trainer en een nieuwe club richtte ik me helemaal op sprinten. Voordat ik afstudeerde, had ik al een aantal goede prestaties neergezet. Daarom kon ik door als professioneel atleet. Gelukkig: ik denk namelijk dat, wil je echt succesvol zijn in de sport, je alles in je sport moet kunnen steken. Het moet je beroep zijn. Ernaast werken gaat niet. Dan kun je niet meer alles geven.'
Leven voor de sport, dat doet iets met je.
'In die tijd was alles in mijn leven er op gericht. Al het andere kwam op de tweede plaats. Vrienden, mijn relatie. Ik wilde dat ook. Tot ik door vrienden en mijn vriendin erop werd gewezen dat ik er wel erg ver in zat. Ik heb toen mijn leven wat aangepast. Maar toch, die mentaliteit moet je wel hebben. Keuzes maken voor je sport is heel belangrijk. Pas dan kun je winnen.'
En je won. Je kent successen, maar ook tegenslagen. Waar ben je het meest trots op?
'Op mijn overwinningen en titels. Mijn medailles. Maar wat ik ook als heel mooi heb ervaren, zijn de momenten waarop ik overwinningen boekte terwijl iedereen dacht dat het niet zou lukken. Iets laten zien tegen de verwachtingen in, dat is geweldig.'
In 2006 stopte je definitief als profatleet. Moeilijk?
'Nee. Het was een logische stap na een proces waarin ik naar dat moment toe werkte. Op een bepaald moment ging ik al werken naast mijn sport. Ik begon met training geven. Dan verschuift je leven. Het ging eigenlijk vanzelf.'
Wat ging je daarna doen?
'Na een aantal jaar als atletiek- en personal trainer en manager van een fitnessclub ging ik aan de slag als fysiek trainer bij NOC*NSF. Een wens die in vervulling ging. Daar heb ik een contract tot aan de Olympische Spelen van 2012. Ik geef kracht- en conditietrainingen aan allerlei sporters. Voor softbal, honkbal, zeilen schrijf ik de fysieke trainingen. Mijn eigen ervaring komt daarbij goed van pas.'
Hoe ben je als trainer?
'Ik vind: trainen moet iets leuks zijn, maar wát je doet, moet je goed doen. Ik ben iemand die veel van sporters vraagt in het uur dat ik met ze bezig ben. Volgens mij moet elke training die je doet, elke dag, beter zijn dan de keer daarvoor. Dat vraag ik dan ook van ze.'
Heb je het naar je zin bij NOC*NSF?
'Ik doe veel ervaring op en kan overdragen wat ik zelf heb meegemaakt. Ik werk heel graag mee om de sporters olympisch kampioen te maken. Of ik altijd trainer wil blijven, weet ik niet. Dat ik altijd in deze wereld wil blijven werken wel. Een meer adviserende rol, misschien in het buitenland, zou ik erg leuk vinden. Mijn ding is nog steeds atletiek en sprinten. Daarin wereldwijd een adviserende rol in spelen zou mooi zijn. Dat is ook waar ik goed in ben. Tot nu toe ben ik heel blij met hoe mijn leven gelopen is. Ik ken ook topatleten die –na hun doel bereikt te hebben- in een gat vallen. Je werkt naar iets toe, behaalt je succes, en dan? Dan kun je het hele proces weer opnieuw opstarten.
Ik ben blij. Mijn hoogste doelen waren succes behalen op het WK en olympisch kampioen worden. Ik ben heel dichtbij gekomen; was twee keer derde van de wereld. En nu doe ik nog steeds waar ik goed in ben.'