Contact English Sitemap Inloggen
Home Scholieren Ouders Decanen Professionals Alumni Werkgevers Over Fontys
Skip Navigation LinksOver Fontys>Wie zijn wij?>Onderwijsvisie>Competentiegestuurd onderwijs
Kenmerken competentiegestuurd onderwijs

 

1. Competentieprofiel; een cluster van verwante kennis, vaardigheden en houdingen dat:

• van invloed is op een belangrijk deel van iemands taak;

• correleert met de prestatie op de taak;

• kan worden gemeten en getoetst aan aanvaarde normen;

• kan worden verbeterd door training en ontwikkeling.

Competenties zijn voorzien van toetsbare prestatie-indicatoren. De competentieontwikkeling van de student is in ieder geval gericht op beroepshouding, (beroeps)innovatie, onderzoekend vermogen en waardebewustzijn. Elke bacheloropleiding hanteert een set van competenties die is ontleend aan beroepsprofielen die in samenspraak met het werkveld zijn opgesteld.

De competenties sluiten aan bij internationaal geaccepteerde kwalificaties van hoger onderwijs.

 

2. Kennisbasis: expliciet beschreven ter waarborging van de vak- en beroepskennis.

Het kennisfundament van het competentieprofiel is expliciet beschreven om de vak- en beroepskennis te waarborgen. Prestatie-indicatoren voor competentieverwerving bevatten een verwijzing naar deze kennisbasis.

 

3. Studieprogramma: dit staat ten dienste van de competentieverwerving en baseert zich op beroepssituaties.

Het studieprogramma staat ten dienste van de competentieverwerving van de student en is gebaseerd op beroepssituaties. De instituten hebben de ruimte om een eigen competentiegestuurd onderwijsconcept te kiezen. Iedere opleiding beschrijft de onderwijsmethode en operationaliseert deze in studielast (40 uur per week), contacttijd (in de propedeuse tenminste 20 uur per week), onderwijsweken en geroosterde toets- en tentamenweken (in totaal 42 weken per jaar). Opleidingen gebruiken hiervoor een centraal kader, zodat helder is hoe de onderwijstijd besteed wordt en om te bereiken dat het onderwijs dwingender en

minder vrijblijvend wordt.

De student wordt aangesproken als beginnend beroepsbeoefenaar die een ‘studiecontract’ met rechten en plichten is aangegaan met de opleiding. Studenten en docenten ervaren binding in een interactieve learning community waarin zij met en van elkaar leren. De digitale leeromgeving faciliteert leren en samenwerken in de learning community. Relevante kennisbronnen zijn voor de student toegankelijk.

Gaandeweg de opleiding neemt de student meer eigen verantwoordelijkheid en initiatief. De studieactiviteiten vinden plaats in omgevingen die uitdagen tot actieve vormen van leren. Deze leeromgevingen kenmerken zich door integratie met de beroepspraktijk en met (toegepast) onderzoek en bevatten een mix van methodieken zoals practica, colleges, studietaken, stages, praktijkopdrachten en projecten. Het studieprogramma biedt studenten voldoende flexibiliteit om onnodige studievertraging te voorkomen.

 

4. Toetsing, met als doel het meten en beoordelen van de studievoortgang van de student.

Toetsing heeft als doel de studievoortgang van de student te meten en beoordelen. Toetsen (waaronder tentamens) zijn bedoeld om de studenten in hun competentieontwikkeling te sturen met feedback. Beoordelingen kunnen worden uitgedrukt in cijfers of op andere manieren. De student verzamelt toetsresultaten en andere bewijzen, zoals beroepsproducten en werkstukken, in een digitaal portfolio. Toetsing van minors vindt plaats binnen de minor zelf.

Elke opleiding kent tenminste drie competentie-examens: ter afronding van de propedeuse, in de postpropedeuse (indien van toepassing overeenkomend met de Associate degree) en ter afronding van de opleiding. In competentie-examens wordt vastgesteld of de student het vereiste competentieniveau heeft bereikt.

Studiepunten worden in ieder geval toegekend op basis van de competentie-examens en afgeronde minors, maar kunnen ook toegekend worden op basis van toetsen van delen van competenties, zoals kennistoetsen, beroepsproducten en stages.

Bij de instroom in een bacheloropleiding kan een intake-assessment plaatsvinden voor erkenning van eerder verworven competenties.

 

5. Docenten vervullen verschillende didactische rollen in het competentiegestuurd onderwijs.

In competentiegestuurd onderwijs vervullen docenten verschillende didactische rollen. Voorop staat dat docenten (vakdocenten en beroepsdocenten) deskundig (expert) zijn ten aanzien van het beroepsdomein waarvoor wordt opgeleid. Daarnaast ontwikkelen docenten zich in andere rollen, zoals assessor, studieloopbaanbegeleider, onderwijsontwikkelaar en onderzoeker.

 

6. Studieloopbaanbegeleiding gedurende de gehele duur van de bacheloropleiding.

Tijdens de bacheloropleiding wordt de student begeleid door een studieloopbaanbegeleider. Deze ondersteunt de student bij het werken aan competenties (inclusief de kennisbasis) en adviseert de student desgewenst over leerroute en minorkeuze.

De studieloopbaanbegeleider monitort met de student ook de studievoortgang.

In het eerste jaar van de propedeuse voltijd wordt vier maal een studievoortgangsindicatie (SVI) afgegeven. De beoordelingsmomenten twee en vier hebben een formele OER-status, te weten het voorlopige studieadvies en het studieadvies aan het einde van het propedeutische jaar. In de volgende fasen vindt er twee maal per jaar een voortgangsbeoordeling plaats.

 

De indicatie wordt in vier categorieën gegeven:

A - de studievoortgang ligt op schema

B - er is sprake van een beginnende studieachterstand

C - er is sprake van een aanzienlijke studieachterstand

D - er is sprake van een ernstige studieachterstand, zeer zorgwekkend

 

7. Kwaliteitszorgsysteem opgesteld per instituut, binnen door Fontys vastgestelde kaders.

Om de kwaliteit van het competentiegestuurd onderwijs te borgen beschikt ieder instituut over een beschreven en werkend kwaliteitszorgsysteem binnen de door Fontys vastgestelde kaders.