Uitleg werkwoordspelling

Heb je moeite met spelling? Het herkennen en schrijven van de persoonsvorm of het voltooid deelwoord? Dan hopen we dat we je op deze site kunnen helpen!

Je krijgt uitleg over de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd, de persoonsvorm in de verleden tijd, het voltooid deelwoord en het bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoord. Per onderdeeltje ga je steeds een aantal oefeningen maken en uiteindelijk kun je je kennis testen in een eindtoets.

We wensen je veel succes en natuurlijk ook een klein beetje plezier, want spelling is lang zo stom nog niet als je het eenmaal snapt!!

 Er zijn 2 manieren om de pv te kunnen herkennen.

  1. Maak de zin vragend. Op deze manier komt de pv vooraan te staan.

Bijvoorbeeld: Het meisje is erg slim.
                    
Is het meisje erg slim?
                    
Is à de pv.
Zorg er wel voor dat je altijd ALLE woorden uit de originele zin gebruikt. Je mag dus niet een woordje weglaten of toevoegen.

  1. Verander de tijd in de zin. Dit betekent dat je van de tegenwoordige tijd verleden tijd maakt of andersom. Het werkwoord dat verandert, is de pv

Bijvoorbeeld: Het weer is morgen bijzonder lekker. (tt)
                     Het weer was gisteren bijzonder lekker
. (vt)
                     De jongens speelden gisteren met elkaar. (vt)
                     De jongens spelen vandaag met elkaar. (tt)

In deze oefening krijg je zinnen waaruit je de pv moet herkennen. Je krijgt meerdere mogelijkheden en jij moet de juiste aanklikken. Bij elk antwoord krijg je te zien waarom het goed of fout is. Lees deze feedback goed! Succes.


De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd

De persoonvorm (pv) is ALTIJD een werkwoord. Je hebt verschillende vormen van de pv. Er is een gemakkelijk schema waarmee je de verschillende vormen kunt herkennen en maken. Leer dit schema goed uit je hoofd: het is de sleutel tot de juiste vorm van de pv in de tegenwoordige tijd (tt).

 Schema werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd (tt)

enkelvoud

 Ond.

 

1e persoon

ik

stam

2e persoon

jij/u

stam+t

3e persoon

hij/zij/het

stam+t

 

 

 

meervoud

 

 

1e persoon

wij

hele ww

2e persoon

jullie

hele ww

3e persoon

zij

hele ww

 

 

 

Zoals je in het schema ziet, krijg je in de tt in het enkelvoud altijd een t achter de stam behalve bij ik. Ik is echter niet de enige uitzondering. Kijk maar eens naar de volgende regel:

Altijd een t achter de stam behalve bij ik en als je/jij (als het tenminste onderwerp is) erachter staat.

Bijvoorbeeld:
Ik loop naar school.
Hij loopt naar school.
Loop jij naar school?

Je mag en kunt in de tegenwoordige tijd ALLEEN een t aan het werkwoord (ww) toevoegen. Dus NOOIT een d. Als er toevallig een d aan het einde komt, hoort deze d bij het werkwoord.
Bijvoorbeeld: beïnvloeden, stam
à beïnvloed, 2e persoon stam + t à beïnvloedt. Dit werkwoord eindigt op dt, omdat die d bij het werkwoord beïnvloeden hoort, maar we voegen er NOOIT een d aan toe. Dit is heel belangrijk om te onthouden!!

 Een gemakkelijk rijtje voor het schrijven van de pv is:
   
o        Zoek de stam à hele ww min -en: antwoorden, vinden, wandelen
   
o        Is het enkelvoud (enkv) of meervoud (meerv)?
   
o        Is het tegenwoordige tijd (tt) of verleden tijd (vt)?

In deze oefening krijg je zinnen waarin de pv nog niet in de juiste vorm staat. Het is de bedoeling dat jij die juiste vorm schrijft aan de hand van het hele werkwoord dat we erachter vermelden. Probeer het schema van de 1e, 2e en 3e persoon goed in je hoofd te hebben, dan is deze oefening veel gemakkelijker. Succes!

Deze oefening zit hetzelfde in elkaar als de vorige oefening, alleen is het nu een tekstje. Lees de zinnen goed en gebruik het schema dat je nu zo ongeveer wel in je hoofd moet hebben. Succes!


De persoonsvorm in de verleden tijd 

Zojuist hebben jullie geleerd en geoefend hoe je de persoonsvorm in een zin kunt herkennen. Nu gaan we iets anders doen, want nu gaan we ons richten op de verleden tijd, waarbij we de werkwoorden indelen in sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden.

Sterke werkwoorden in de verleden tijd zijn bijvoorbeeld lopen (liepen) en geven (gaven).
Hierbij verandert de klinker alleen. Een ezelsbruggetje hierbij kan zijn, dat sterke werkwoorden “sterk” genoeg zijn om de klinker te veranderen, en geen –te / –ten of –de / -den als “ruggensteuntje” nodig hebben.  

We hebben dus alleen regels voor de zwakke werkwoorden.

Bij de verleden tijd heb je bij zwakke werkwoorden de uitgangen -de, -den, -te, -ten (roeien-roeide-roeiden, fietsen-fietste-fietsten).
Als je het woord in de verleden tijd uitspreekt, hoor je vanzelf of je –te of –de moet gebruiken.

Wil je een werkwoord in de verleden tijd zetten, dan neem je hiervoor eerst de stam (= hele werkwoord min -en) Bijvoorbeeld: fietsen.
Dan volgt:
Als de zin enkelvoud is (ik, jij, hij, etc.), krijg je: stam + -de of –te, bijvoorbeeld: ik fietste.
Is de zin meervoud (wij, jullie, zij, etc.), krijg je: stam + –den of –ten, bijvoorbeeld: wij roeiden.

Ook als de stam al op een d of t eindigt, krijg je gewoon stam + -de, -den, –te, of –ten.
Bijvoorbeeld:
broeden                 verleden tijd: stam + -de, dus: ik broedde.
lanterfanten           verleden tijd: stam + -te, dus: hij lanterfantte.
antwoorden            verleden tijd: stam + -den, dus: jullie antwoordden.
pesten                   verleden tijd: stam + -ten, dus:
wij pestten.
 

Uitleg samengestelde zinnen

Als jullie nu een persoonsvorm in een zin kunnen herkennen, zul je merken dat een zin ook meerdere persoonsvormen kan hebben. Een zin met meer dan één persoonsvorm heet een samengestelde zin en bestaat uit kleinere delen.
Bijvoorbeeld: Ik ga vanavond naar de televisie kijken omdat er een leuk programma komt.
Gebruik om de persoonsvormen te vinden steeds de tijdproef.
-         Verander de tijd in de zin:
Ik ging gisteravond naar de televisie kijken, omdat er een leuk programma kwam.
Dan zie je dat er twee woorden noodzakelijk veranderen, namelijk ga en komt. Dit zijn dus de twee persoonsvormen.
De andere manier, de zin vragend maken, is hiervoor niet zo geschikt. Kijk maar:
Ga ik vanavond naar de televisie kijken, omdat er een leuk programma komt?
Je ziet dat je er op deze manier maar één persoonsvorm uithaalt; gebruik deze manier dus niet! 

Samengestelde zinnen kun je vaak herkennen omdat ze beginnen met
-         verwijswoorden: dat, die, waarmee, waarop, waarin etc.
-         voegwoorden: omdat, als, en, want, wanneer, nadat etc.

Kijk eens goed naar de volgende zin:
        
Dat ik faliekant tegen dat plan was, heb ik gezegd tegen mijn vriendinnetje dat gewoon bij haar eigen standpunt bleef.
Er staat twee keer dat in de zin; de eerste keer is het een voegwoord en de tweede keer een verwijswoord. Als je namelijk van vriendinnetje vriendinnetjes maakt, krijg je de zin:
        
Dat ik faliekant tegen dat plan was, heb ik gezegd tegen mijn vriendinnetjes die gewoon bij hun eigen standpunt bleven.
Het tweede dat is veranderd omdat het nu verwijst naar een meervoudig woord.

Deze samengestelde zin bestaat dus uit drie delen en heeft dus ook drie persoonsvormen:
1.    Dat ik faliekant tegen dat plan was,
2.
   
heb ik gezegd tegen mijn vriendinnetje
3.
    dat gewoon bij haar eigen standpunt bleef.
 

E
indoefening pv

In deze oefening ga je kijken of je de pv helemaal snapt! De oefening is wat moeilijk gemaakt, omdat je de tt en vt door elkaar moet vervoegen. Tip: als je het schema goed in je hoofd hebt zitten, wordt dit een eitje! Succes.

 

HET VOLTOOID DEELWOORD

Heb je moeite met het herkennen en het schrijven van het voltooid deelwoord (VD)?
Niet getreurd! Hieronder vind je uitleg én oefeningen over hoe je het voltooid deelwoord kunt herkennen. Je gaat natuurlijk weer zelf aan de slag door oefeningen te maken.
Zo neem je stap voor stap de regels nog eens door. Je zult merken dat er veel ‘Oh ja!’-momenten zijn!
Je gaat dus eerst nog eens kijken hoe je een voltooid deelwoord kunt herkennen.
Vervolgens gaan we met voltooid deelwoorden op –en aan de slag, hierna met voltooid deelwoorden op –t  en als laatste met een voltooid deelwoord dat eindigt op –d.

-          Hoe herken je een voltooid deelwoord?
    * Een voltooid deelwoord kan eindigen op –en (bij sterke werkwoorden), op –d of op –t (bij zwakke werkwoorden).
    * Een voltooid deelwoord begint bijna altijd met ge- (maar werkwoorden die beginnen  met: be-, her-, ver-, ont-, en –ge krijgen vaak geen ge- meer).

 VOORBEELDEN

 VOORBEELDEN

     1.    Froukje heeft (hww bij geslagen) haar vriend hard geslagen.

2.    Jelle is (hww bij gereisd) naar Griekenland gereisd en hij heeft (hww bij gewerkt) daar hard gewerkt.

3.    Bram wordt (hww bij geplaagd) dikwijls geplaagd.

In deze oefening moet je het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord herkennen.

In deze oefening moet je het voltooid deelwoord vinden en opschrijven.

We hadden het net over sterke en zwakke werkwoorden. Wat waren dat ook alweer?
Een sterk werkwoord is onregelmatig en krijgt een klankverandering in de verleden tijd.
Deze woorden hebben al een vaste verleden tijd en voltooid deelwoord. Hier hoef je dus verder niks meer aan te vervoegen! 

                        VOORBEELDEN VAN STERKE WERKWOORDEN

Werkwoord               Verleden tijd        Voltooid deelwoord

     1.     binden                   bond                      gebonden
2.
     kijken                    keek                      gekeken
3.
     lopen                    liep                        gelopen
4.
     staan                   stond                     gestaan
5.
     zwemmen             zwom                     gezwommen
6.
     bedriegen              bedroog                 bedrogen
7.
     nemen                  nam                      genomen

Bij deze oefening oefen je het schrijven van sterke werkwoorden.

Hier kun je achterkomen door naar de pv in de verleden tijd te kijken.

 -          Hoor je een –t in de verleden tijd, dan schrijf je het voltooid deelwoord ook met een –t

 

                                    VOORBEELDEN

                   Werkwoord             Verleden tijd         Voltooid deelwoord           

     1.     werken             ik werkte               ik heb gewerkt
2.     rusten               ik rustte                ik heb gerust
3.     pakken              ik pakte                 ik heb gepakt
4.     roken                ik rookte                ik heb gerookt


Met deze opdracht oefen je het schrijven van zwakke werkwoorden.


-
          Hoor je een –d in de verleden tijd, dan schrijf je het voltooid deelwoord ook met een –d

                                          VOORBEELDEN

Werkwoord                 Verleden tijd        Voltooid deelwoord     

     1.     noemen             ik noemde             ik heb genoemd
2.     branden             ik brandde             ik heb gebrand
3.     reizen                ik reisde               ik heb gereisd
4.     vertellen            ik vertelde            ik heb verteld       

Met deze opdracht oefen je het schrijven van zwakke werkwoorden.

Is je iets opgevallen?
De eerste oefening was alleen maar met –en (sterk), de tweede oefening was alleen maar met –t (zwak), en de derde oefening was alleen met een –d (zwak).

EINDTOETS

Om te kijken of je de verschillende vormen ook door elkaar kunt gebruiken, volgt hier een eindtoets over het voltooid deelwoord.
Bij deze opdracht lees je een tekstje, de werkwoorden zijn gegeven. Je moet er een voltooid deelwoord van maken! Succes!

Eindtoets 1            Eindtoets 2  

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA-EXTRA

Heb je moeite met werkwoorden uit het Engels?

- Als de stam van het Engelse werkwoord eindigt op een klinker (in de uitspraak), krijgt de verleden tijd –de en eindigt het voltooid deelwoord op –d.

barbecuen     ik barbecue               ik barbecuede           ik heb gebarbecued
lobbyen          ik lobby                      ik lobbyde                  ik heb gelobbyd

 - Maak het woord ook weer langer, dan hoor je het:

checken          ik check                   ik checkte                 ik heb gecheckt
racen             ik race                     ik racete                   ik heb geracet
deleten          ik delete (ik dieliet)    ik deletete                 ik gedeletet
volleyballen   ik volleybal               ik volleybalde             ik heb gevolleybald
snookeren      ik snooker                ik snookerde              ik heb gesnookerd
managen       ik manage               ik managede              ik heb gemanaged

 Opdracht     

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

HET VOLTOOID DEELWOORD GEBRUIKT

ALS BIJVOEGELIJK NAAMWOORD

Het voltooid deelwoord kan als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt. Het voltooid deelwoord staat dan voor een zelfstandig naamwoord. Het vertelt dus iets van een zelfstandig naamwoord (mensen, dieren, planten of dingen).

                                           VOORBEELDEN

Voltooid deelwoord                      Bijvoeglijk naamwoord

    1. Zijn namen zijn genoemd.                   De genoemde namen.
    2. Hij heeft hard gewerkt.              De gewerkte uren.
    3. De pinda's zijn gebrand.            De gebrande pinda's.
    4. Hij heeft flink uitgerust.             De uitgeruste zieke.

 Maar let op!!

                1. De bollen worden gepoot.                     De gepote bollen (je krijgt dus nooit gepoote of gepotte).
               
2. Het deeg wordt gekneed.                      Het geknede deeg ( je krijgt dus nooit gekneede of geknedde).
               
3. Het terrein wordt omgespit.                  Het omgespitte terrein (met één –t klinkt het als omgespiete).
               
4. De uitgave moet worden beknot.          De beknotte uitgave (met één –t klinkt het als beknoote).

                   1.     De prijs is geboden.                            De geboden prijs.
                   2.
     De pijnlijke plek wordt gewreven.        De gewreven plek.

 Bij deze oefening moet je op zoek naar het bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord. 

Om te kijken of je de voltooid deelwoorden en de bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden uit elkaar kunt houden, moet je de volgende oefeningen maken. Let op: het kan ook zijn dat er een ‘gewoon’ bijvoeglijk naamwoord bij zit!

 Opdracht 1 bv/vd         Opdracht 2 bv/vd            Opdracht 3 bv/vd

Nu moet je zelf aan de gang! Je gaat nu oefenen door zelf de bijvoeglijk gebruikte voltooid deelwoorden te schrijven.

LET OP:

1. Schrijf het zo kort mogelijk!
2. Houd spelling en uitspraak kloppend.

Opdracht                     

 

EINDTOETS

In deze opdracht kun je toetsen wat je in dit blok ‘werkwoordspelling’ hebt geleerd. Er volgt een krantenartikel uit het NRC en jij moet de goede vormen (persoonsvorm, voltooid deelwoord of bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord) invullen. Als het onduidelijk is welke vorm je in moet vullen, staat het erbij.

Eindopdracht