Het wordt algemeen erkend dat het goed is om leerlingen
actief bij een les te betrekken. Hoe meer activiteiten door de leerlingen zelfstandig
uitgevoerd kunnen worden des te beter voor het leerproces. Er kunnen verschillende
activiteiten aangeboden worden: individuele, groeps-, klas activiteiten, etc. dus een
breed scala waardoor de leerlingen beter voorbereid kunnen worden op het functioneren in
de maatschappij. Het is niet de bedoeling hier te pleiten voor alleen maar
(gestructureerde) vormen van samenwerking, vaak genoemd samenwerkend leren (Ebbens, 1997).
Er is een onderscheid tussen samenwerken en samen
leren. In het eerste geval is de rol van de docent nog duidelijk aanwezig. De docent
bepaalt het doel, de (meeste) activiteiten en (bijna) de hele evaluatie. Geleidelijk
krijgt de groep meer verantwoording en dan spreken we meer van samen leren, waarbij de
structuren dus wat verdwijnen want de groep zelf bepaalt steeds meer de manier waarop
samengewerkt wordt. Deze worden hier complexe structuren genoemd omdat ze een
zelfstandigere houding van de leerlingen vereisen en de docent meer terugtreedt. Als er
sprake is van totale sturing vanuit de leerlingen/studenten noemen we dit samen reguleren
(vrij naar: Jos Zuylen en Robert-Jan Simons (1997).
| |
docent sturing |
gedeelde sturing |
leerling sturing |
| samen werken |
|
|
|
| samen leren |
|
|
|
| samen reguleren |
|
|
|
Een van de manieren om leerlingen actiever bij het
leerproces te betrekken is dus; samen werken. Dit is een gestructureerde vorm van werken
in groepjes, dus zeer docent gestuurd (dit vereist klassenmanagement, zie docentvaardigheden) maar geleidelijk
verschuift de sturing van de docent naar de leerling. D.m.v. samenwerkingsstructuren
worden bepaalde basisprincipes
gewaarborgd. Een samenwerkingsstructuur staat los van de inhoud dus is toepasbaar in een
les engels, wiskunde, geschiedenis, gezondheidskunde, techniek etc.
Anders gezegd; een structuur gekoppeld aan een bepaalde
inhoud is een activiteit.