Nederlands

Probleemstelling formuleren


Onderzoek gaat uit van een centrale vraag ofwel probleemstelling. 
Een probleemstelling van een tekst is de centrale vraag waarop de tekst antwoord geeft. 
Voor het succesvol verlopen van het onderzoek is het noodzakelijk die probleemstelling zo precies mogelijk te formuleren. 
Een goed geformuleerde probleemstelling geeft richting aan het onderzoek dat moet worden uitgevoerd. 

Door de centrale vraag te splitsen in deelvragen wordt het mogelijk al in een vroeg stadium een inhoudsopgave te ontwerpen. Dat is de eerste opzet van je rapport. Aan de hand van zo’n inhoudsopgave wordt duidelijker wat er precies moet worden onderzocht om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden. 

Tips voor het formuleren van een probleemstelling

Voordat je een goede probleemstelling formuleert, kan het je helpen om jezelf een aantal vragen te stellen. Deze vragen helpen je om redelijk snel grip te krijgen op het te bestuderen onderwerp. Bijvoorbeeld:

  • Wat is geconstateerd (feitelijk probleem)?

  • Wat is de aanleiding van deze situatie/probleem?

  • Wat is de wenselijke situatie?

  • Wat is je doelstelling?

  • Wat zijn mogelijke producten om het doel te realiseren?

Voor de probleemstelling geldt in ieder geval dat die de drie W’s moet bevatten:
Wat: vergroting van woordenschat;
Wie: door leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs;
Waar: bij NT2-leerders in meertalige klassen.

 

Een probleemstelling kan nu zijn:

 

'Hoe kunnen leraren in het de onderbouw van het voortgezet onderwijs de woordenschat vergroten bij NT2-leerders in meertalige klassen?'

 

Doelen van de tekst

De centrale vraag moet zo geformuleerd zijn dat duidelijk is wat het globale doel van de tekst is. We onderscheiden drie doelen:
1. een advies geven;
2. informatie geven;
3. een oordeel aannemelijk maken.

Soorten probleemstellingen

We kunnen drie soorten probleemstellingen of centrale vragen onderscheiden die met deze doelen corresponderen:
1. adviesgerichte probleemstellingen                             » advies;
2. beschrijvende (of beeldvormende) probleemstellingen  » informatie (feiten, cijfers);
3. evaluerende probleemstellingen                                » oordeel.

Ad 1. De adviesgerichte probleemstelling
Bij de adviesgerichte probleemstelling wordt antwoord gegeven op de vraag wat er in de toekomst moet gebeuren of wat er moet/kan veranderen. 
De hoofdvraag bij dit soort onderzoek komt dus neer op: Wat kan/moet er verbeterd of veranderd worden

Bijvoorbeeld: 
 

'Met welke aanpak kan de docent Nederlands leerlingen van de onderbouw havo en vwo voorbereiden op de argumentatieve vaardigheden in de Tweede fase en daarmee tevens de mondelinge taalvaardigheid verbeteren?'


Bij dit type probleemstelling kun je ook denken aan maatregelen die genomen moeten worden om een probleem op te lossen, bijvoorbeeld een taalbeleidsplan voor een school

Ad 2. De beschrijvende (beeldvormende) probleemstelling
De beschrijvende probleemstelling bevat de vraag naar het al dan niet voorkomen van een situatie of ontwikkeling. 
Bijvoorbeeld:

'Welke deelvaardigheden worden achtereenvolgens geoefend en welke totaalvaardigheden zijn aan de orde in taalmethode X?'


Ook kan de beschrijvende probleemstelling antwoord uitlokken op de vraag hoe de stand van zaken is met betrekking tot een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld:

 `Hoe leren brugklasleerlingen een brief schrijven?’

 

of hoe een verschijnsel zich heeft ontwikkeld, bijvoorbeeld: 

`Hoe heeft het schrijfonderwijs in de basisvorming zich ontwikkeld sinds 1992?’.

 

Ad 3. De evaluerende probleemstelling
Nadat er door beschrijvend onderzoek informatie verzameld is, wordt de vraag van belang welke waarde men aan die informatie kan hechten. 
Bij de evaluerende probleemstelling staat de toetsing van de juistheid van beweringen over een verschijnsel centraal. 
Bij evaluatief onderzoek komt de hoofdvraag dus neer op: Wat is mijn oordeel over dit onderwerp?
Bijvoorbeeld: 

`In hoeverre voldoet de aanpak van de schrijftaak in methode X aan de principes van communicatief taalonderwijs?’.

 

Vaak wordt er een combinatie gemaakt van verschillende typen probleemstellingen.
Zo kun je bijvoorbeeld een beschrijvende probleemstelling combineren met een evalerende probleemstelling.
 Met andere worden: eerst vraag je naar de beschrijving van een bepaald verschijnsel en vervolgens vraag je naar een oordeel over de situatie. Een voorbeeld:

`Welke schrijfaanpak wordt gehanteerd in methode X en in hoeverre voldoet deze aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs?’


Dit type centrale vraag gebruiken studenten Nederlands bij de verslagen leerganganalyse in het eerste en tweede studiejaar.

Eisen aan de formulereing van de centrale vraag

De hoofdvraag moet aan de volgende eisen voldoen.
  • De centrale vraag moet niet te ruim of te beperkt zijn geformuleerd.

NIET

`Welke problemen doen zich voor bij NT2-leerders?’

MAAR

`Welke taalproblemen doen zich voor bij NT2-leerders in meertalige klassen van de basisvorming?’

  • De centrale vraag moet een open vraag zijn: een ja/nee-vraag geeft geen opbouw aan voor een heel stuk. Bovendien kan een ja/nee-vraag de tekst eenzijdig laten worden.


Laatste wijziging: 23-09-11